Natuur voor kinderen - lesidee voor natuuronderwijs op de basisschool Natuur voor kinderen - lesidee voor natuuronderwijs op de basisschool
bomen dieren planten mensen paddestoelen

 

wat is een paddestoel? vliegenzwam
paddestoelen en schimmels eekhoorntjesbrood
de bouw van een paddestoel  
waar leven paddestoelen van?  
dieren bij paddestoelen  

 

 

 


 

waar leven paddestoelen van
Waar leven paddestoelen van?

Paddestoelen leven van de afbraak van dood of levend materiaal . Daardoor spelen ze een belangrijke rol bij de kringloop van grondstoffen; als er geen schimmels zouden zijn, zou het afval zich ophopen en zouden er uiteindelijk te weinig voedingsstoffen overblijven . Dit is ook de reden waarom zoveel soorten juist in de herfst te vinden zijn. In dit jaargetijde is er veel dood materiaal, zoals afgestorven bladeren en planten.

Paddestoelen leven vooral van de stof cellulose . Veel soorten krijgen deze stof door de zeer moeilijk afbreekbare houtstof aan te tasten. Paddestoelen zijn de enige organismen die hiertoe in staat zijn. Is de houtstof eenmaal aangetast, dan kan de cellulose er eenvoudig uit worden gehaald. Doordat paddestoelen houtstof en cellulose gebruiken, zijn ze belangrijk voor de afbraak van strooisel. Een strooisellaag in het bos bestaat namelijk voor bijna 80% uit deze stoffen.

Er zijn drie manieren waarop paddestoelen hun voedingsstoffen krijgen:

1 door de afbraak van dood materiaal (saprofyten-afbrekers)

2 door te parasiteren op levend materiaal (parasieten-profiteurs)

3 uitwisseling van stoffen met (boom)wortels (symbionten-samenwerkers)

 

1) Saprofyten (afbrekers):

Meer dan de helft van de paddestoelen leeft van volledig dood, plantaardig materiaal. Dit kan o.a. stro, dood hout, strooisel of afgevallen bladeren zijn. Veel soorten zijn gespecialiseerd ; zo groeit de Eikebladmycena op pas gevallen bladeren van loofbomen. De Oorlepelzwam zorgt voor de afbraak van dennenappels. De soorten die met de afbraak beginnen, verteren het materiaal slechts gedeeltelijk. Andere soorten paddestoelen gaan dan verder met de afbraak.
 

2)Parasieten (profiteurs):

Parasiterende paddestoelen leven van materiaal dat (nog) niet dood is. Meestal is het slachtoffer een boom, maar sommige soorten gebruiken andere voedselbronnen. Zo leeft de Kostgangerboleet op een andere paddestoel, namelijk de Aardappelbovist. De rupsendoder leeft vooral van poppen van nachtvlinders.

De meest parasiterende paddestoelen leven op bomen . Enkele soorten, zoals de Honingszwam, kunnen zelfs een gezonde boom aantasten en doden . Bij deze soort groeit de zwamvlok van de ene boom naar de volgende. Het is dus mogelijk dat de Honingszwam een heel bos uitroeit. De meeste parasitaire houtpaddestoelen kunnen echter alleen groeien op verzwakte bomen . Zo is de Berkenzwam nooit op een gezonde berk te zien. Bovendien blijven deze paddestoelen vaak doorleven als de boom al dood is; eigenlijk zijn het dan geen parasieten meer, maar afbrekers geworden.

Er zijn twee manieren waarop paddestoelen het hout afbreken. In de eerste plaats door witrot . Bij witrot wordt zowel de houtstof als de cellulose verteerd . Het hout krijgt dan een draderige structuur, een bleke kleur en voelt vochtig aan. Het Elfenbankje bijvoorbeeld veroorzaakt witrot.

In de tweede plaats door bruinrot. Bij bruinrot wordt de houtstof niet afgebroken, maar zodanig veranderd dat de cellulose er tussenuit gehaald kan worden . Hout dat zo wordt afgebroken kleurt bruin, voelt droog aan en brokkelt af in vierkante droge stukjes. De Berkenzwam veroorzaakt bruinrot.

 
3) Symbionten (samenlevers) :
Ongeveer een kwart van de Nederlandse paddestoelen leeft samen met andere planten, meestal met bomen. De zwamvlok van de paddestoel is verbonden met de wortels van de boom. De wortels van de boom zijn dan omgroeit met schimmeldraden . De paddestoel ‘ krijgt' organische stoffen van de boom. In ruil hiervoor ‘ geeft' de paddestoel andere voedingstoffen, water of bescherming tegen bepaalde ziekten aan de boom. Deze verbinding tussen boom en paddestoel heet mycorrhiza. Doordat de zwamvlok een veel groter oppervlak heeft dan de wortels van de eigenlijke boom, kan de boom meer voedsel en water opnemen. (Vliegenzwam en berken)