Natuur voor kinderen - lesidee voor natuuronderwijs op de basisschool Natuur voor kinderen - lesidee voor natuuronderwijs op de basisschool
bomen dieren planten mensen paddestoelen

 

brandnetel lavendel bladkenmerken
brem madeliefje zaadjes op reis
duizendblad paardenbloem
guldenroede perzikkruid
harig knopkruid rode klaver
klein streepzaad bloem kenmerken

 

 

 

 


 

zaadverspreiding
Zaadjes op reis

Net als dieren gaan ook planten voortdurend op zoek naar nieuwe gebieden om zich te vestigen, soms ver weg van de moederplant. Maar omdat ze vastzitten in de grond kunnen ze enkel op reis gaan via vruchten en zaden. Dit noemt men "zaadverspreiding".

 
Steeds verder

Bij sommige planten springt de vrucht of zaaddoos gewoon open en vallen de zaden er uit. Bij andere planten, zoals bij brem en springzaad, knalt de zaaddoos hard open. De zaadjes worden er in volle vaart uitgeslingerd, zo komen ze meters ver van de moederplant terecht.

 
De wind

Veel zaden hebben donzige haren of een soort parachuutje, waar de wind gemakkelijk vat op krijgt. Denk maar aan de pluizenbol van een paardebloem. De wind voert de lichte zaden mee, soms kilometers ver. Komen de zaden terecht in losse grond, met voldoende vocht, dan ontkiemen ze. Zo kunnen er op plaatsen waar eerst nog niets groeide, allerlei planten opschieten.

 
Op vleugels

Je hebt zeker al wel eens een zaadje van een esdoorn in de lucht gegooid en gezien hoe snel en rondtollend het naar beneden dwarrelde. Dat komt door de vleugel die aan het zaadje zit, die "draagt" het zaadje, zodat het al draaiend naar beneden valt. Staat er een flinke wind, dan zal het pas honderden meters verder neerkomen.

 
Meeliften met dieren

Een andere manier van reizen is "liften". Sommige zaden hebben haakjes, zo blijven ze hangen aan de vacht van een dier. Op die manier leggen zaden hele afstanden af, hangende aan de wollige vacht van een schaap of een ander dier, of … aan jouw kleren

 

Op reis met een vogel

De kleverige bessen van de maretak blijven vaak hangen aan de snavel van een vogel. Die neemt ze mee naar een volgende tak, waar hij zijn snavel afveegt. Zo komen de zaden terecht op een andere boom. De maretak wordt daarom ook wel "vogellijm" genoemd. Soms eten de vogels bessen op, lijsters en spreeuwen eten graag allerlei bessen. De pitten (zaden) poepen ze ergens anders weer uit. Zo helpen ze mee de zaden te verspreiden. Bovendien zorgen de sterke maagsappen van de vogels er voor, dat de harde pitten week worden. Hierdoor kunnen ze gemakkelijker ontkiemen.